(Nederlands onderaan)

Das Tanzstück Nine Finger von KVS und Rosas basiert auf den Buch “Beasts of No Nation” von Uzodinma Iweala. Der Roman handelt von einem Kindersoldaten in einem afrikanischen Land im Krieg. Der Schauspieler Sijn Van Opstal und die Tänzerin Fumiyo Ikeda erzählen zusammen seine Geschichte.

Viele Mittel benötigen die Darsteller dafür nicht. Die Bühne ist nahezu leer und die wichtigsten Requisiten sind ein großer rechteckiger Karton und eine alte Matratze. Das Lichtdesign ist auch minimalistisch: Die ganze Aufführung lang ist die komplette Bühne hell erleuchtet. Es gibt keine Variationen oder Spielereien. Dies unterstreicht die Erzählstruktur, die lose Szenen anstatt einer abgeschlossenen Geschichte zeigt.

Van Opstal spielt den Kindersoldaten und spricht einige wörtliche Passagen aus dem Buch. Diese sind in kindlichem afrikanischen Englisch, das in deutsche Übertitelungen übertragen wurde, lesbar. Wir erfahren, dass das Kind eine Waise ist, dass es eigentlich gar nicht kämpfen will, aber es doch unter dem Einfluss der Schreckensherrschaft des Kommandanten und des stimulierenden “gun juice” tut, dass es von seinem Kommandanten missbraucht und gezwungen wurde, auch andere Frauen zu missbrauchen, und dass es eine Freundin namens Strika hat. Oder zumindest denken wir im ersten Moment, dass die Tänzerin Ikeda die Rolle der Strika wortlos darstellt. Dann sehen wir allerdings eine Szene, in der der Kindersoldat erschöpft und hungrig ist. Beginnt er zu halluzinieren? Da Ikeda in dieser Szene auch den Text des Kindersoldaten spricht und seine Kleidung anzieht, scheint es mir, dass Strika und der Ich-Erzähler in Wirklichkeit vielleicht dieselbe Person sind.
 
Während Van Opstal deutlich als Schauspieler die Geschichte des Kindersoldaten erzählt, dient die Anwesenheit Ikedas unterschiedlicher Funktionen. Ihr Tanz ist typisch modern und abstrakt, aber ihr Gesicht verrät expressiv die Gefühle Strikas. Manchmal gibt sie synchron die Bewegungen Van Opstals wieder, manchmal ist sie eins der Opfer seiner Gewalttaten. Das minimalistische Bühnenbild wird durch Urwaldgeräusche und laute Knalle, die Van Opstal dadurch erzeugt, dass er sich das Mikrofon gegen seinen Kopf und seine Arme schlägt, belebt. Was bei mir allerdings am meisten Nachdruck hinterließ, waren die grauenvollen Szenen, die Van Opstal mit Worten skizziert.

Im Bereich der Musikauswahl fielen die Songs “Imagine” und “(I Can’t Get No) Satisfaction” auf. Anstelle der Originalversionen, entschieden sich die Macher für digital bearbeitete Versionen. Mit Sicherheit verfolgten sie damit einen Plan, der sich mir allerdings nicht direkt erschließt. Es scheint mir ein Statement dafür zu sein, dass diese einstmaligen Protestsongs mittlerweile leere, kommerziell genutzte Hüllen sind.

Kann ein wohhabender Abendländer eigentlich irgendetwas Sinnvolles über diese Problematik erzählen, die er oder sie nie am eigenen Leib erfahren hat? Falls nicht, was versuchen die Macher von Nine Finger dann eigentlich mit diesem Stück zu erreichen? Und was soll man von der schwarzen Farbe halten, mit der Van Opstal zunächst sein Gesicht und gegen Ende des Stückes noch seinen kompletten Oberkörper einreibt? In meinem Kopf herrscht ein Wirrwarr von Assoziationen zu Hautfarben, Maskierungen, Dreck, aber auch Blut.

In der letzten Szene nimmt Ikeda plötzlich die Rolle eines Therapeuten ein. “What do you feel?”, wiederholt sie dem Publikum zugewandt. Die Zuschauer um uns rum denken da offensichtlich sehr unterschiedlich drüber. Halbe Sitzreihen verlassen den Saal vor und während des Applauses, andere geben sich stehenden Ovationen hin. Love it or hate it, Nine Finger hat in diesem Saal etwas bewegt.

__
 
De dansvoorstelling ‘Nine Finger’ van KVS/Rosas is gebaseerd op ‘Beasts of No Nation’ van Uzodinma Iweala. Deze roman verhaalt van een kindsoldaat in een Afrikaans land in oorlog. Acteur Stijn Van Opstal en danseres Fumiyo Ikeda tonen samen zijn verhaal.
 
Veel middelen hebben de performers daarbij niet nodig. Het podium is nagenoeg leeg en de belangrijkste rekwisieten zijn een grote vierkante kartonnen doos en een oud matras. Het lichtgebruik is ook minimalistich: gedurende het hele optreden is het hele podium felverlicht. Er wordt niet in gevarieerd of mee gespeeld. Het onderstreept de vertelstructuur die losse scènes toont en geen afgerond, eenduidig verhaal. Van Opstal speelt de kindsoldaat en spreekt letterlijk enkele passages uit het boek uit. Dit gaat in kinderlijk, Afrikaans Engels dat in Duitse boventiteling is mee te lezen. Hieruit leren we dat het kind wees is, dat het eigenlijk niet wil vechten maar dat toch doet onder invloed van het schrikbewind van de commandant en de stimulerende “gun juice”, dat het verkracht wordt door zijn commandant en door hem ook gedwongen wordt vijandelijke vrouwen te verkrachten, en dat hij een vriendje heeft dat Strika heet. Of dat denken we in eerste instantie, mede doordat danseres Ikeda de rol van Strika woordeloos uit lijkt te beelden. Maar dan wordt er een scène getoond waarin de kindsoldaat uitgeput en hongerig is. Begint hij te hallucineren? Omdat Ikeda in deze scène ook teksten van de kindsoldaat uit gaat spreken en zijn kleding aantrekt, begin ik te denken dat Strika en de ik-figuur in feite een en dezelfde persoon zijn.
 
Waar Van Opstal duidelijk als acteur het verhaal van de kindsoldaat vertelt, dient de aanwezigheid van Ikeda verschillende functies. Haar dans is typisch modern en abstract, maar met haar gezicht geeft ze expressief uiting aan het gevoel van Strika. Soms kopieert ze synchroon de bewegingen van Van Opstal en soms is ze een van de slachtoffers die hij gewelddadig te lijf gaat. De minimalistische enscenering wordt verlevendigd door de oerwoudgeluiden en de harde knallen die Van Opstal produceert door zichzelf hard met de microfoon tegen zijn hoofd of armen te slaan. Maar wat toch wel het meest bij mij beklijft zijn de gruwelijke scènes die Van Opstal met woorden schetst. Qua muziekkeuze vallen de nummers ‘Imagine’ en ‘(I Can’t Get No) Satisfaction’ op. In plaats van de originele versies van deze nummers te gebruiken hebben de makers gekozen voor door een computer gegenereerde versies. Daar zit duidelijk opzet achter, maar wat ze ermee willen zeggen wordt mij niet helemaal duidelijk. Het lijkt me bijna een statement dat deze liedjes, ooit geschreven en als protestsongs, intussen commerciële, lege hulzen zijn geworden. Kan een welvarende Westerling wel iets zinnigs zeggen over deze problematiek die hij of zij nooit aan den lijve ondervonden heeft? Zo nee, wat proberen de makers van ‘Nine Finger’ dan eigenlijk met deze voorstelling?
 
En wat te denken van de zwarte verf waarmee Van Opstal eerst zijn gezicht insmeert, en tegen het einde van de voorstelling nog eens zijn hele bovenlijf? Om beurten duikt een mengelmoes aan associaties in mijn hoofd op waaronder huidskleur, camouflage, vuil, maar ook bloed.
 
In de laatste scène neemt Ikeda plotseling de rol van therapeut op zich. “What do you feel?” blijft ze herhalen, terwijl ze zich rechtstreeks tot het publiek richt. En het publiek om ons heen lijkt daar erg verdeeld over. Halve rijen lopen nog voor en tijdens het applaus de zaal uit, terwijl anderen opstaan en joelen. Love it or hate it, ‘Nine Finger’ heeft wat teweeggebracht in de zaal.