(Nederlands onderaan)

Sehnsucht: ein (leidenschaftlicher/s) Wunsch oder Verlangen, das ist der Zustand, den Koen Augustijnen in dieser Inszenierung thematisiert. Ein Verlangen nach Ruhm, nach Schmerz, Liebe - das sich vor allem als der Wunsch zu bleiben herausstellt und nur selten erfüllt wird.

Das Bühnenbild erinnert vielleicht am ehesten an eine U-Bahnstation: graue Kacheln, grüne Plastikstühle und sogar Straßenfeger. In einer Ecke ein Akkordeonspieler. Ein Raum des Übergangs, in den Menschen hineintröpfeln, die nirgends zuhause zu sein scheinen, außer vielleicht in ihren - oft großen und auffälligen – Mänteln. Ein Junge hat sich offensichtlich verirrt, er wandelt desorientiert durch den Raum, bis ihm von einem Passanten weitergeholfen wird.

So, wie der Akkordeonspieler Bachs Goldberg-Variationen spielt, variiert auch Koen Augustijnen weiter über ein Thema, das im Programmheft mit den Stichworten “Sehnsucht” und “Vertrauen” umschrieben wird. Manchmal explizit, wenn die Tänzer einander in einem Liebesspiel suchen, sich küssen, aber auch schaden, manchmal implizit, zum Beispiel in den Szenen, in denen jeder Tänzer ein kurzes Solo gibt. So kündigen die Tänzer an, dass sie ein bayrisches Lied auf sexy Weise vortragen wollen, das Publikum soll versuchen zu flirten oder zwischendurch auch an Pornos denken oder unauffällig schreien.

Schön in diesem Stück ist das Gleichgewicht zwischen der Gruppe und den einzelnen: genau wie in einer Großstadt funktioniert es nur selten, eine feste Gruppe zu bilden und da jeder der Darsteller eine individuelle Absicht mitbringt, bleibt es interessant, ihnen zu folgen. Wir sehen unterschiedliche Fragmente von Gefühlen wie Erschöpfung, Frustration und Freude. Die Musik schafft Dynamik, aber auch für Lockerung. Manchmal scheint die Choreografie etwas willkürlich: Was genau ist jetzt eigentlich das Thema, das variiert wird? In jedem Fall eher das individuelle Verlangen und das Gefühl der Unruhe im Menschen, als das Vertrauen in Politik oder Wirtschaft.

__

Sehnsucht: een (hartstochtelijk) verlangen of een hunkering, dat is het gegeven dat Koen Augustijnen in deze voorstelling thematiseert. Een verlangen naar roem, naar pijn, liefde – dat bovenal een verlangen blijkt te blijven, en zelden wordt ingelost.

De vormgeving van de voorstelling doet nog het meest denken aan een metrostation: grauwe betegeling, groene plastic stoeltjes en zelfs een straatveger. In de hoek een accordeonist. Een ruimte van transitie, waarin mensen binnendruppelen die nergens thuis lijken te zijn behalve in hun eigen -vaak grote of opvallende- jassen. Eén jongen is duidelijk de weg kwijt, hij zwalkt gedesoriënteerd door de ruimte tot hij door een voorbijganger wordt gecorrigeerd.

 Zoals de accordeonist de Goldbergvariaties van Bach speelt, zo varieert ook Koen Augustijnen verder op een thema, dat in het programmaboekje wordt omschreven met de kernwoorden ‘Sehnsucht’ en ‘Vertrauen’. Soms expliciet, wanneer de dansers elkaar in een liefdesspel zoeken, zoenen, maar ook beschadigen, soms impliciet, bijvoorbeeld in de scènes waarin elke danser een korte ‘performance’ geeft. Zo kondigen spelers aan dat ze op sexy wijze een Beiers lied gaan vertolken, het publiek zullen proberen te charmeren maar ondertussen ook aan porno denken, of discreet te gaan schreeuwen – voorstellen die vervolgens ook worden uitgevoerd. 

Mooi in deze voorstelling is de balans tussen de groep en het individu: net als in een grote stad lukt het zelden echt een groep te vormen, en doordat elke performer een individuele intentie heeft, blijft het interessant om deze te volgen. We zien in verschillende fragmenten gevoelens van uitputting, frustratie en blijdschap. De muziek zorgt voor dynamiek, maar ook voor troost. Wel voelt de choreografie soms wat willekeurig: wat is nu precies het thema waarop wordt gevarieerd? In elk geval eerder het individuele verlangen en gevoel van onrust in de mens, dan het vertrouwen in de politiek of de economie.